Licht reist in rechte lijnen: schaduwen
Bij een totale zonsverduistering bedekt het donkere midden van de maanschaduw vaak een strook van minder dan 50 mijl breed. De gedeeltelijke schaduw is daarentegen duizend mijl of meer breed.
Stralen: een eenvoudig model van licht
Zonlicht door een opening in de gordijnen vormt een bundel met rechte randen. Een zaklamp in mist geeft een rechte kegel. In materiaal dat overal hetzelfde is, reist licht in rechte lijnen. De optica tekent licht daarom als stralen: rechte lijnen met pijlen voor de bewegingsrichting. OpenStax noemt dit geometrische optica. Dit model werkt goed zolang de voorwerpen veel groter zijn dan de lichtgolflengte, die bij zichtbaar licht minder dan een micrometer is. Spiegels, lenzen, camera's en schaduwen vallen allemaal binnen dat bereik.
We zien een lamp doordat lichtstralen ervan onze ogen binnenkomen. We zien een boek doordat lamplicht het boek raakt, in alle richtingen wordt teruggekaatst en deels onze ogen bereikt. Onze ogen en hersenen nemen vervolgens aan dat het licht in een rechte lijn kwam en plaatsen het voorwerp terug langs die lijn. Meestal klopt deze aanname. Als zij niet klopt, bijvoorbeeld doordat licht aan het wateroppervlak afbuigt, zien we dingen op een plaats waar ze niet zijn. Daarover gaat een latere les.
Gaatjescamera en omgekeerde beelden
Een doos met een klein gaatje aan één kant en een scherm aan de andere maakt zonder lens een beeld. Een straal van een boomtop kan het scherm alleen via het gaatje bereiken en belandt dus onderaan. Een straal van de boomvoet komt bovenaan. Het beeld staat omgekeerd. Gelijkvormige driehoeken geven: beeldhoogte ÷ voorwerphoogte = doosdiepte ÷ voorwerpsafstand. Een boom van 10 m op 20 m afstand bij een doosdiepte van 10 cm geeft 10 × 0.1 ÷ 20 = 0.05 m, dus 5 cm beeldhoogte. Volgens OpenStax gebruikte onder anderen Kamal al-Din al-Farisi begin jaren 1300 zulke verduisterde kamers, camera obscura's, bij lichtonderzoek.
Scherpe en zachte schaduwen
Een schaduw is het gebied achter een ondoorzichtig voorwerp dat licht niet langs een rechte lijn kan bereiken. Bij een heel kleine lichtbron, een puntbron, is elke plaats volledig verlicht of volledig donker. De schaduwrand is scherp. De grootte volgt opnieuw uit gelijkvormige driehoeken. Een bal van 4 cm op 20 cm van een puntlamp geeft op een scherm op 50 cm een schaduw van 4 × 50 ÷ 20 = 10 cm. Beweeg je de bal naar de lamp toe, dan wordt de schaduw groter. Beweeg je hem naar het scherm toe, dan nadert de schaduw de grootte van de bal.
De meeste echte lampen zijn geen punten. Bij een lamp met enige omvang zien sommige schermplaatsen helemaal niets van de lamp en andere slechts een deel. Het volledig donkere midden heet kernschaduw. Daaromheen ligt de lichtere bijschaduw, waar een deel van de lamp zichtbaar blijft. Rechte lijnen van de lampranden langs de voorwerpranden geven de grenzen. Een grotere lamp en een verder scherm geven meer bijschaduw en minder kernschaduw. Bij een voldoende grote lamp verdwijnt de kernschaduw helemaal en is de hele schaduw zacht.
Sleep om te draaien. Scroll of knijp om te zoomen.
Verduisteringen: schaduwen in de ruimte
De zon is een grote lichtbron. Daarom werpen zowel de maan als de aarde schaduwen met een kernschaduw en een bijschaduw. Volgens NASA zien waarnemers bij een zonsverduistering in de kleine kernschaduw dat de zon volledig bedekt is: een totale verduistering. In de veel grotere bijschaduw zien ze slechts een deel bedekt. Verder van de maan wordt de kernschaduw smaller. Bij de aarde bedekt zij daardoor maar een klein gebied: NASA noemt een gebruikelijke strook van minder dan 50 mijl breed, tegenover duizend mijl of meer voor de bijschaduw. Bij een maansverduistering gaat de maan juist door de schaduw van de aarde. Een deel van het zonlicht wordt door de aardatmosfeer gebogen en bereikt de maan nog, vooral rood licht. Daardoor krijgt de verduisterde maan haar roodachtige kleur.
- Een puntlamp, een bal van 4 cm op 20 cm van de lamp en een scherm op 50 cm van de lamp. Hoe breed is de schaduw?
- Bij een puntlamp beweeg je de bal dichter naar het scherm toe. De schaduw…
- Wordt kleiner
- Wordt groter
- Blijft gelijk
- Wordt alleen bijschaduw
- Waarom maakt een grote lamp een zachte schaduwrand?
- Sommige plekken zien maar een deel van de lamp
- Licht buigt om grote lampen
- Grote lampen zijn feller
- De bal wordt doorzichtig
- Tijdens een zonsverduistering sta je in de kernschaduw van de maan. Wat zie je?
- Totale zonsverduistering
- Gedeeltelijke zonsverduistering
- Geen verduistering
- Maansverduistering
- Het beeld in een gaatjescamera is…
- Omgekeerd
- Rechtop en groter
- Altijd even groot als het voorwerp
- Alleen in kleur zichtbaar
- Een boom van 10 m staat op 20 m van een gaatjescamera met een diepte van 0.10 m. Hoe hoog is het beeld, in cm?
- Waarom kun je een vel papier zien dat zelf geen licht uitzendt?
- Licht van een lamp kaatst ervan terug naar je ogen
- Je ogen zenden stralen naar het papier
- Papier bewaart licht
- Papier is een puntbron
- Een lamp is 3 cm hoog. Een bal van 4 cm staat op 20 cm afstand en het scherm staat op 50 cm. Hoe breed is de kernschaduw volgens kernschaduw = h × D/x − s × (D/x − 1)? Geef je antwoord op één decimaal.
- Naarmate de maanschaduw zich naar de aarde uitstrekt, wordt haar kernschaduw…
- Smaller
- Breder
- Blijft even breed
- Wordt een bijschaduw en wordt daarna breder
- In één homogeen materiaal reist licht in rechte lijnen, die we als stralen weergeven.
- Een beeld in een gaatjescamera staat ondersteboven; de grootte volgt uit gelijkvormige driehoeken.
- Een puntbron geeft een scherpe schaduw. Een lichtbron met enige omvang geeft zowel kernschaduw als bijschaduw.
- Binnen de kernschaduw zie je een totale verduistering, binnen de bijschaduw een gedeeltelijke.
Bronnen van deze cursus (16)
- OpenStax College Physics 2e (openstax.org/books/college-physics-2e): 25.2 The Law of Reflection (θr = θi, diffuse vs mirror reflection, image as far behind the mirror)
- 25.3 The Law of Refraction (Roemer 1676 data -> 2.26 × 10⁸ m/s, about 25% low; Michelson rotating mirrors with a fixed mirror 35 km away, 0.04%; c = 2.99792458 × 10⁸ m/s; n = c/v; Table 25.1 air 1.000293, water 1.333, ice 1.309, crown glass 1.52, flint 1.66, polystyrene 1.49, zircon 1.923, diamond 2.419; Snell's law; 30.0° -> 22.0° gives 1.33; air to diamond 30.0° -> 11.9°; zircon 1.56 × 10⁸ m/s; Ibn Sahl 984; Snell 1580 to 1626; lawn-mower analogy)
- 25.4 Total Internal Reflection (mirror more than 90%; θc = sin⁻¹(n2/n1); polystyrene 42.2°, water 48.6°, diamond 24.4°; fibre optics, cladding; corner reflectors on bicycles and on the Moon; binoculars)
- 25.5 Dispersion (Kamal al-Din al-Farisi 1267 to 1319, camera obscura and a water-filled glass vessel; Theodoric of Freiberg; Ibn al-Haytham; about six rainbow colours; Table 25.2 n at 660/610/580/550/470/410 nm; violet bent most; rainbow seen looking away from the Sun; secondary rainbow from two reflections; lasers disperse little)
- 25.6 Image Formation by Lenses (ray tracing rules, P = 1/f in diopters, 1/do + 1/di = 1/f, m = −di/do, 0.750 m object and f = 0.500 m -> 1.50 m and m = −2.00, magnifier do 7.50 cm -> di −30.0 cm and m = 4.00, Table 25.3 three cases)
- 26.1 Physics of the Eye (cornea and lens act as one thin lens, most bending at the cornea, cornea n 1.38, lens-to-retina 2.00 cm, near point 25 cm, power 50.0 D to 54.0 D, hair 1.20 × 10⁻² cm at 60.0 cm)
- 27.3 (Young 1801)
- NASA science.nasa.gov/eclipses/geometry (umbra, penumbra; typical umbral path may be less than 50 miles wide, penumbra a thousand miles or more) and nasa.gov image article Diagram of Umbra and Penumbra (umbra shrinks, penumbra grows away from the Sun)
- NASA Visible Light page (Newton 1665 prism experiment, 380 to 700 nm)
- Royal Society, Fara 2015 commentary on Newton (1672) New Theory about Light and Colours (royalsocietypublishing.org/rsta/article/373/2039/20140213)
- NIST Meter page (Evenson group 299 792 456.2 ± 1.1 m/s; 1983 definition fixes c = 299 792 458 m/s) and NIST J. Res. 1972 measurement (tf.nist.gov/general/pdf/527.pdf)
- APS News July 2010, Fizeau (Galileo lanterns; Roemer 1676; Fizeau 1849, 313 300 km/s, about 5% high)
- Wikipedia Fizeau's measurement (8633 m, 720 notches, 25.2 turns per second -> 313 274 304 m/s, 4.5% high) and Speed of light (Galileo proposal 1638; Foucault 1862 298 000 ± 500 km/s, −0.60%; Michelson 1926 299 796 ± 4 km/s)
- Baez and DESY "How is the speed of light measured?" (same table)
- NASA Moon Fact Sheet (mean distance 384 400 km)
- IAU 2012 astronomical unit 149 597 870 700 m.
Geraadpleegd: 2026-10-17