Interferentie en buiging
Ruisonderdrukkende koptelefoons maken een tweede geluid dat precies tegengesteld is aan het omgevingsgeluid. Wanneer beide geluiden worden opgeteld, ontstaat er bijna stilte.
Golven optellen
Twee ballen die je naar elkaar gooit, kaatsen tegen elkaar terug. Twee golven die elkaar ontmoeten, doen iets anders: ze gaan dwars door elkaar heen. Terwijl ze overlappen, worden de verstoringen eenvoudig bij elkaar opgeteld. OpenStax noemt dit superpositie. Als twee identieke golven in fase aankomen, berg op berg en dal op dal, heeft het resultaat een tweemaal zo grote amplitude. Dat is zuivere constructieve interferentie. Als ze precies in tegenfase aankomen, berg op dal, heffen ze elkaar op en is de amplitude nul. Dat is zuivere destructieve interferentie. Meestal ligt het resultaat ergens daartussen en verandert het van plaats tot plaats.
Je ervaart vaak ongemerkt interferentie. Een stereo kan op één plek hard klinken en elders dof, doordat geluid van twee luidsprekers en de muren op sommige plekken versterkt en elders deels uitdooft. Ruisonderdrukkende koptelefoons luisteren naar het binnenkomende geluid en spelen een golf met omgekeerde pieken en dalen af. Volledige uitdoving lukt volgens OpenStax alleen onder eenvoudige omstandigheden, maar een vermindering van 30 dB of meer is mogelijk.
Twee bronnen en weglengteverschil
Plaats twee bronnen naast elkaar die gelijkfasig met dezelfde golflengte trillen, zoals twee vingers die tegelijk op water tikken. Op elk punt hebben hun golven verschillende afstanden afgelegd. Het weglengteverschil Δr bepaalt wat er gebeurt. Een geheel aantal golflengtes (0, λ, 2λ, …) geeft gelijke fase en versterking. Een geheel aantal plus een halve golflengte (½λ, 1½λ, …) brengt berg op dal en geeft uitdoving. Stille punten vormen gebogen lijnen die tussen de bronnen uitwaaieren, met levendige stroken ertussen.
Sleep om te draaien. Scroll of knijp om te zoomen.
Young en het golfkarakter van licht
Volgens OpenStax is interferentie het kenmerk van golven: een manier om te bewijzen dat iets een golf is, is zien dat het interfereert. Voor licht werd dit in 1801 beslist door Thomas Young, die licht door twee smalle spleten vlak naast elkaar liet gaan. Elke spleet werd een bron. Op het scherm verschenen geen twee heldere lijnen, maar afwisselend heldere en donkere banden. Heldere banden ontstaan in richtingen waarvoor d sin θ = mλ, met d de spleetafstand en m een geheel getal. In het OpenStax-voorbeeld geven spleten op 0.0100 mm afstand en een derde heldere band onder 10.95° een λ = 633 nm: het rode licht van een helium-neonlaser.
Buiging: golven spreiden zich door openingen
Wanneer een golf door een opening of om een rand gaat, spreidt zij zich uit in het gebied erachter. Dit verschijnsel heet diffractie of buiging. Hoe sterk zij spreidt, hangt af van de grootte van de opening ten opzichte van de golflengte. Een opening die veel breder is dan de golflengte laat de golf als bundel door, met aan beide kanten een vrij scherpe schaduw. Een opening van ongeveer één golflengte geeft een brede waaier. Daarom hoor je geluid om een deuropening heen (golflengtes rond een meter), maar kun je er niet omheen kijken lichtgolven zijn korter dan een miljoenste meter). OpenStax geeft een radiovoorbeeld: lange AM-golven gaan over en om gebouwen en heuvels, terwijl FM- en tv-ontvangst het best werken bij een vrije zichtlijn.
Sleep om te draaien. Scroll of knijp om te zoomen.
Zwevingen
Twee geluiden met een klein frequentieverschil raken afwisselend in en uit fase. Even liggen hun bergen op elkaar en is het geluid hard; iets later valt een berg op een dal en wordt het zacht. Het resultaat is één toon op de gemiddelde frequentie die aanzwelt en afneemt. Deze schommeling heet zweving. Volgens OpenStax is de zwevingsfrequentie het verschil van de twee frequenties: f_B = |f₁ − f₂|. Pianostemmers gebruiken dit. Als een stemvork van 256 Hz en een snaar 2 zwevingen per seconde geven, trilt de snaar met 254 Hz of 258 Hz. De stemmer past haar aan totdat de zwevingen stoppen.
- Twee identieke golven met een amplitude van 3 cm komen berg op berg samen. Wat is de amplitude waar ze elkaar overlappen?
- Twee identieke golven ontmoeten elkaar precies berg op dal. Het resultaat is…
- Nul amplitude (uitdoving)
- Dubbele amplitude
- Halve golflengte
- Een voorgoed gestopte golf
- Op een punt is het weglengteverschil vanaf twee gelijkfasige bronnen 2.5 golflengtes. Wat vind je op dat punt?
- Stille plek (uitdoving)
- Luide plek (versterking)
- Dubbele frequentie
- Helemaal geen golf van een van beide bronnen
- Bij dezelfde bronnen is het weglengteverschil 3 golflengtes. Wat vind je daar?
- Luide plek (versterking)
- Stille plek (uitdoving)
- Een schaduw
- Een knoop van de bron
- Twee stemvorken van 440 Hz en 443 Hz klinken tegelijk. Hoeveel zwevingen per seconde hoor je?
- Een stemvork van 256 Hz en een pianosnaar geven 2 zwevingen per seconde. De frequentie van de snaar is…
- 254 Hz of 258 Hz
- Precies 256 Hz
- 512 Hz
- 128 Hz
- Licht van 633 nm gaat door twee spleten die 0.0100 mm uit elkaar liggen. Onder welke hoek ligt de eerste heldere band naast het midden (m = 1)? Geef twee decimalen.
- Waarom kun je een persoon om een hoek wel horen maar niet zien?
- Geluidsgolflengtes zijn vergelijkbaar met de afmetingen van deuropeningen; lichtgolflengtes zijn veel kleiner
- Geluid is sneller dan licht
- Licht kan niet terugkaatsen
- Geluid is transversaal
- Ruisonderdrukkende koptelefoons werken op basis van…
- Destructieve interferentie
- Buiging
- Zwevingen
- Geluid versnellen
- Wie toonde in 1801 lichtinterferentie aan met een dubbele spleet?
- Thomas Young
- Isaac Newton
- Heinrich Hertz
- Christiaan Huygens
- Overlappende golven worden bij elkaar opgeteld, superpositie, en reizen daarna onveranderd verder.
- Weglengteverschil mλ geeft versterking. Een verschil van (m + ½)λ geeft uitdoving.
- Dubbelspleet: heldere banden ontstaan bij d sin θ = mλ (Young, 1801).
- Buiging is het sterkst als een opening ongeveer één golflengte breed is. Voor zwevingen geldt f_B = |f₁ − f₂|.
Bronnen van deze cursus (11)
- OpenStax College Physics 2e (openstax.org/books/college-physics-2e): 16.9 Waves (disturbance that propagates, gull example λ 10.0 m, T 5.00 s, v = 2.00 m/s, transverse and longitudinal, amplitude independent of speed)
- 16.10 Superposition and Interference (constructive, destructive, standing waves, f1 = v/2L, beats fB = |f1 − f2|, 256 Hz fork with 2 beats -> 254 or 258 Hz)
- 17.2 Speed of Sound (Table 17.1: air 331 m/s at 0 °C, helium 965, fresh water 1480, sea water 1540, steel 5960, vulcanized rubber 54; v = 331 m/s × √(T/273 K); 343 m/s at 20 °C; audible range 20 to 20 000 Hz; P-waves 4 to 7 km/s, S-waves 2 to 5 km/s; Oldham and Lehmann)
- 17.3 Sound Intensity (I0 = 10⁻¹² W/m², Table 17.2, factor 10 = 10 dB, factor 2 = 3 dB, 85 dB for 8 h footnote, bel named for Bell)
- 17.5 Sound Interference and Resonance (noise-cancelling headphones 30 dB or more, closed tube λ = 4L and f_n = n v/4L with n odd, open tube f_n = n v/2L, 128 Hz tube at 22 °C = 0.672 m, ninth harmonic 1.15 kHz, trumpet vs clarinet overtones)
- 24.1 (Maxwell; Hertz from 1887)
- 24.3 The Electromagnetic Spectrum (c = fλ, Table 24.1, three rules of thumb, AM 540 to 1600 kHz, FM 88 to 108 MHz, microwave oven 2.45 GHz, visible 400 to 750 nm, UV 400 to about 10 nm, UV-A 320 to 400, UV-B 290 to 320, UV-C 220 to 290 nm, 99% of surface UV is UV-A, X-rays below 0.01 nm)
- 27.3 Young's Double Slit (1801, d sin θ = mλ, 0.0100 mm and 633 nm example)
- NASA science.nasa.gov/ems (Introduction, Visible Light: 380 to 700 nm; atmospheric windows)
- NIST, c = 299 792 458 m/s exact (nist.gov/si-redefinition/meter)
- ISO 16:1975 (A = 440 Hz, iso.org/standard/3601.html).
Geraadpleegd: 2026-10-17