edubun
Nederlands

Oppervlakte van een driehoek en de formule van Heron

Een driehoek met zijden van 13, 14 en 15 m heeft een oppervlakte van precies 84 m², en je kunt dat getal via twee heel verschillende routes bereiken.

Een perceel waarvan je alleen de drie zijden kent

Dit is het probleem. Een klein driehoekig hoekperceel wordt met gras ingezaaid. De drie randen zijn met een meetlint gemeten: 13 m, 14 m en 15 m. Op het zaadpak staat hoeveel vierkante meter één pak dekt. Hoeveel vierkante meter is het perceel? Je weet dat de oppervlakte van een driehoek de helft van basis maal hoogte is, maar niemand heeft een hoogte gemeten, en met een meetlint vanaf een rand precies onder 90° naar de overstaande hoek lopen is moeilijker dan het klinkt. Probeer de oppervlakte te vinden voordat je verder leest. Eén methode gebruikt alleen dingen uit eerdere hoofdstukken.

Eén route gebruikt Pythagoras. Neem de zijde van 14 m als basis en laat vanuit de overstaande hoek hoogte h vallen. Die verdeelt de basis in x en 14 − x en maakt twee rechthoekige driehoeken. Links geldt h² = 13² − x². Rechts geldt h² = 15² − (14 − x)². Stel ze gelijk: 169 − x² = 225 − 196 + 28x − x², dus 28x = 140 en x = 5. Dan is h² = 169 − 25 = 144 en h = 12. De oppervlakte is 14 × 12 ÷ 2 = 84 m². De twee rechthoekige driehoeken hebben zijden 5, 12, 13 en 9, 12, 15, allemaal gehele getallen.

Links staat de driehoek met zijden 13, 14 en 15. Zijn hoogte naar basis 14 is 12 en verdeelt die basis in 5 en 9. Rechts staat een stomphoekige driehoek waarvan hoogte h buiten de driehoek valt, op het verlengde van basis b.

Waarom de helft van basis maal hoogte

OpenStax Prealgebra begint met een rechthoek met basis b, hoogte h en oppervlakte b × h. Een diagonale snede geeft twee identieke driehoeken, elk met de helft van bh als oppervlakte. Daarmee is het voor rechthoekige driehoeken bewezen. Teken voor een andere driehoek een rechthoek eromheen met dezelfde basis en hoogte. De driehoek vult de helft: de twee overgebleven stukken zijn kopieën van de twee rechthoekige driehoeken waaruit hij zelf bestaat. In beide gevallen geldt A = ½ × b × h. Je meet de hoogte loodrecht op de gekozen basis, vanaf de basislijn naar het overstaande hoekpunt. Elke zijde kan basis zijn, zolang je de bijbehorende hoogte gebruikt.

Bij een stomphoekige driehoek kan de hoogte buiten de driehoek vallen, zoals rechts in de figuur. Dat is geen fout. Verleng de basislijn en laat vanuit het overstaande hoekpunt een loodlijn op dat verlengde vallen. Gebruik die lengte als h. De formule blijft gelden, want de driehoek is het verschil tussen een grote en een kleinere rechthoekige driehoek met dezelfde hoogte.

Eén gevolg is nuttig om te kennen. Driehoeken met dezelfde basis en hoogte hebben dezelfde oppervlakte, hoe schuin ze ook zijn. Schuif het bovenste hoekpunt langs een lijn evenwijdig aan de basis en de oppervlakte verandert niet. Euclides gebruikt dit in zijn bewijs van Pythagoras: een parallellogram is tweemaal een driehoek op dezelfde basis tussen dezelfde evenwijdige lijnen.

Laden

Sleep om te draaien. Scroll of knijp om te zoomen.

Een rechthoekige driehoek met schuine zijde 6. De rechthoekszijden zijn basis en hoogte, dus de oppervlakte is aanliggend × overstaand ÷ 2. Bij 45° is dat ongeveer 4.243 × 4.243 ÷ 2 = 9. Verander de hoek ten opzichte van 45° terwijl de schuine zijde vast blijft en bereken de oppervlakte opnieuw: die wordt kleiner.

Voor Heron zijn alleen de drie zijden nodig

De tweede route heeft helemaal geen hoogte nodig. OpenStax Precalculus geeft de formule van Heron voor een driehoek met zijden a, b en c. Zoek eerst s, de halve omtrek: s = (a + b + c) ÷ 2. Dan is de oppervlakte = √(s(s − a)(s − b)(s − c)). Voor 13, 14 en 15 is s = 42 ÷ 2 = 21 en de oppervlakte is √(21 × 8 × 7 × 6) = √7056 = 84. Hetzelfde antwoord, zonder hoogte. Voor het voorbeeld uit het boek zelf, zijden 10, 15 en 7, is s = 16 en de oppervlakte √(16 × 6 × 1 × 9) = √864, ongeveer 29.4 vierkante eenheden.

Je kunt elke formule snel testen met een bekend geval. Bij de rechthoekige driehoek met zijden 3, 4 en 5 is s = 6 en √(6 × 3 × 2 × 1) = √36 = 6, precies 3 × 4 ÷ 2. Bij 5, 5 en 8 is s = 9 en √(9 × 4 × 4 × 1) = √144 = 12. De hoogte op de zijde van 8 is 3, want 3² + 4² = 5², en 8 × 3 ÷ 2 = 12. Kijk ook naar zijden die niet aan de driehoeksongelijkheid voldoen, zoals 3, 4 en 7. Dan is s = 7, één factor s − c is 0 en de oppervlakte is 0. Dat klopt met hoofdstuk 3.

AchtergrondHeron van Alexandrië schreef over meten, machines en spiegels. De MacTutor-biografie van de University of St Andrews zegt dat zijn bekendste wiskundige resultaat deze formule is, die hij bewijst in Boek I van zijn Metrica. Lange tijd was niemand het eens over wanneer hij leefde, met schattingen die eeuwen uiteenlagen, tot de historicus Otto Neugebauer in 1938 een verduistering die Heron noemt, koppelde aan een verduistering die op 13 maart 62 in Alexandrië werd waargenomen. De Metrica laat ook zien dat Heron met de hand wortels trok: 720 heeft geen gehele wortel, dus deelt hij 720 door 27, telt er 27 bij op, halveert de uitkomst en krijgt 26 5/6, waarvan het kwadraat 720 1/36 is.
  1. Basis 12 inch en hoogte 5 inch. Bereken de oppervlakte van de driehoek.
  2. Basis 11 en hoogte 8. Bereken de oppervlakte.
  3. De rechthoekszijden van een rechthoekige driehoek zijn 6 en 9. Bereken de oppervlakte.
  4. Een driehoek heeft een oppervlakte van 24 cm² en een basis van 8 cm. Bereken de hoogte.
  5. Gebruik de formule van Heron voor zijden 13, 14 en 15.
  6. Gebruik de formule van Heron voor zijden 10, 15 en 7, op één decimaal.
  7. Wat is s, de halve omtrek, bij zijden van 62.4, 43.5 en 34.1 m?
  8. Een gelijkzijdige driehoek heeft zijde 6. Bereken de oppervlakte op twee decimalen.
  9. Een gelijkbenige driehoek heeft zijden 5, 5 en 8. Bereken de oppervlakte.
  10. Twee driehoeken hebben dezelfde basis AB en hun derde hoekpunten liggen op één lijn evenwijdig aan AB. Hun oppervlakten zijn:
    • gelijk
    • verschillend, tenzij de driehoeken congruent zijn
    • alleen gelijk als beide rechthoekig zijn
    • niet te vergelijken
  11. Bij een vaste schuine zijde van 6 heeft de rechthoekige driehoek in het practicum zijn grootste oppervlakte bij 45°. Hoe groot is die oppervlakte?
Veelgemaakte fouten
  • ‘De hoogte van de stomphoekige driehoek is de schuine zijde, want de hoogte moet binnen de driehoek liggen.’ De hoogte is de loodrechte afstand van de basislijn tot het overstaande hoekpunt. Bij een stomphoekige driehoek kan die loodlijn buiten de driehoek op de verlengde basis vallen. Een schuine zijde is geen hoogte.
  • ‘Oppervlakte = basis × hoogte.’ Dat is de rechthoek om de driehoek. De driehoek is de helft daarvan, dus deel door 2: basis 14 en hoogte 12 geven 84, niet 168.
  • ‘Bij de formule van Heron is s de omtrek.’ s is de halve omtrek. Met s = 42 voor de driehoek met zijden 13, 14 en 15 krijg je √(42 × 29 × 28 × 27), veel te groot. De juiste s = 21 geeft 84.
Voor de docentIn het Koreaanse curriculum van 2022 hoort de formule voor de oppervlakte van een driehoek bij de leerjaren 5 tot 6 van het basisonderwijs, waar leerlingen de oppervlakte van parallellogrammen, driehoeken, trapezia en ruiten op verschillende manieren moeten afleiden. De toelichting zegt dat ook driehoeken waarvan de hoogte buiten de figuur valt aan bod moeten komen en dat oppervlakte moet worden begrepen als het aantal vierkantjes van 1 cm² dat past. De formule van Heron staat niet in het curriculum; zie haar als uitbreiding voor leerlingen die wortels en de stelling van Pythagoras al kennen. Het probleem met 13, 14, 15 is een goede brug, omdat leerlingen het kunnen oplossen met wat ze al hebben en daarna zien dat Heron in één regel op dezelfde 84 uitkomt.
Belangrijkste punten
  • Oppervlakte = basis × hoogte ÷ 2, waarbij de hoogte loodrecht staat op de gekozen basis.
  • Bij een stomphoekige driehoek kan de hoogte buiten de driehoek vallen, op de verlengde basis.
  • Dezelfde basis en dezelfde hoogte geven dezelfde oppervlakte.
  • Heron: s = (a + b + c) ÷ 2, oppervlakte = √(s(s − a)(s − b)(s − c)).
Bronnen van deze cursus (7)
  • Curriculum: 교육부 고시 제2022-33호 [별책 8] 수학과 교육과정 (ncic.re.kr/inv/org/download.do?year=2022&seq=10003559&orgType=ogi4, PDF read 2026-10-19: 초등학교 3~4학년군 [4수03-08] 이등변삼각형·정삼각형, [4수03-09] 직각삼각형·예각삼각형·둔각삼각형, [4수03-25] 삼각형과 사각형의 내각의 크기의 합을 여러 가지 방법으로 추론; 초등학교 5~6학년군 [6수03-01] 합동·대응점·대응변·대응각, [6수03-14] 삼각형의 넓이(높이가 삼각형의 외부에 있는 것도 다룸); 중학교 1~3학년군 [9수03-03] 삼각형의 작도, [9수03-04] 삼각형의 합동 조건, [9수03-05] 삼각형의 내각과 외각, [9수03-09] 이등변삼각형의 성질을 합동 조건으로 정당화하고 증명이라는 용어 도입, [9수03-12]·[9수03-13] 닮음·닮음비·삼각형의 닮음 조건, [9수03-15] 피타고라스 정리를 추측하고 정당화, 역은 직관적으로 이해하고 직각삼각형 판별에 사용; 용어와 기호 대변, 대각, 내각, 외각, 증명, 닮음비, △ABC, ≡, ∽)
  • Textbook: OpenStax, Contemporary Mathematics, 10.3 Triangles (triangle from three noncollinear points; acute, right, obtuse; side a opposite angle A; hypotenuse and legs; angle sum 180° by a parallel line and alternate interior angles; x, x + 17, 3x − 62 gives 45°, 62°, 73°; SSS, SAS, ASA, AAS; similar triangles, scaling factor; tower shadow 180 ft with a 9 ft truck and 15 ft shadow gives 108 ft; Thales and the pyramid: openstax.org/books/contemporary-mathematics/pages/10-3-triangles)
  • OpenStax Prealgebra 2e, 9.3 Use Properties of Angles, Triangles, and the Pythagorean Theorem (a² + b² = c²; Pythagoras around 500 BCE; 13 ft ladder 5 ft from the wall; 10 inch bracket about 7.1 inches; similar triangles: openstax.org/books/prealgebra-2e/pages/9-3-use-properties-of-angles-triangles-and-the-pythagorean-theorem)
  • 9.4 Use Properties of Rectangles, Triangles, and Trapezoids (A = ½bh from half a rectangle; isosceles and equilateral; equilateral perimeter 93 in: .../pages/9-4-use-properties-of-rectangles-triangles-and-trapezoids)
  • OpenStax Precalculus 2e, 8.2 Non-right Triangles: Law of Cosines (Heron’s formula with semi-perimeter s; sides 10, 15, 7 give s = 16 and area about 29.4; Chicago lot 62.4, 43.5, 34.1 m gives about 711.4 m²: openstax.org/books/precalculus-2e/pages/8-2-non-right-triangles-law-of-cosines)
  • History for story blocks only: Euclid’s Elements, D. E. Joyce edition, Clark University (Book I Prop. 20 triangle inequality and Heron’s shortest-path problem; Prop. 26 and its guide on congruence theorems, SSA ambiguity and side-side-right angle; Prop. 32 exterior angle and angle sum, Proclus corollaries; Prop. 47 and its guide on Old Babylonians ca. 1900 to 1600 BCE, Plimpton 322, the Zhou bi hypotenuse diagram, Proclus; Prop. 48 converse; Book VI Prop. 4 equiangular triangles: mathcs.clarku.edu/~djoyce/elements/bookI/propI47.html)
  • MacTutor History of Mathematics, University of St Andrews, Heron of Alexandria (formula proved in Metrica Book I; eclipse of 13 March 62; side of 720 about 26 5/6: mathshistory.st-andrews.ac.uk/Biographies/Heron/) MacTutor, "Euclid of Alexandria" (born about 325 BC, died about 265 BC; dating for the Elements, about 2,300 years ago: mathshistory.st-andrews.ac.uk/Biographies/Euclid/, checked 2026-10-19).

Geraadpleegd: 2026-10-19