Steekproefomvang en de centrale limietstelling
Het gemiddelde van 25 waarden uit een populatie met standaardafwijking 15 heeft een standaardfout van 15 ÷ √25 = 3.
Minji middelt vijf dobbelsteenworpen, driehonderd keer achter elkaar
Een verzonnen verhaal. Minji heeft een dobbelsteen en veel geduld. Ze gooit vijf keer, schrijft het gemiddelde van die worpen op en begint opnieuw. Na 300 rondes heeft ze 300 gemiddelden. Eén worp geeft elk getal van 1 tot en met 6 met gelijke kans. Ze verwacht dus dat haar gemiddelden ook gelijkmatig verspreid liggen. Dat is niet zo. Ongeveer vier van de vijf liggen tussen 2.5 en 4.5, en minder dan één op honderd ligt onder 1.5 of boven 5.5. De simulatie hieronder begint met dezelfde proef: 300 steekproeven van omvang 5. Waarom liggen de gemiddelden dichter bij elkaar, en hoeveel dichter?
Enquêtes, opiniepeilingen, kwaliteitscontroles in een fabriek en medisch onderzoek werken allemaal op dezelfde manier. Niemand meet iedereen. Je neemt een steekproef en gebruikt het steekproefgemiddelde om het gemiddelde van de hele populatie te schatten. Verschillende steekproeven geven verschillende gemiddelden. De nuttige vraag is dus hoeveel het steekproefgemiddelde van steekproef tot steekproef schommelt en hoe die schommeling afhangt van de steekproefomvang.
Eén dobbelsteen vormt een vlak verdeelde populatie met gemiddelde 3.5
Een eerlijke dobbelsteen is een ideale kleine populatie. De waarden 1 tot en met 6 zijn even waarschijnlijk, dus het gemiddelde is μ = 3.5 en de standaardafwijking σ = √(35/12), ongeveer 1.708. De vorm is vlak, helemaal niet klokvormig. Neem nu een steekproef: gooi n keer en middel de uitkomsten. Bij n = 1 is het steekproefgemiddelde één worp, dus ook vlak verdeeld. Bij n = 2 is het de som van twee dobbelstenen gedeeld door 2. Dat geeft de tentvorm uit de les over twee dobbelstenen. Bij n = 5 of 10 vormt het histogram van steekproefgemiddelden al een gladde heuvel rond 3.5. Bij grotere n wordt die smaller.
Sleep om te draaien. Scroll of knijp om te zoomen.
Steekproefgemiddelden liggen rond μ, met spreiding σ/√n
OpenStax formuleert de centrale limietstelling voor steekproefgemiddelden als volgt. Trek willekeurige steekproeven van omvang n uit een willekeurige populatie met gemiddelde μ en standaardafwijking σ. Bij toenemende n volgen de steekproefgemiddelden bij benadering een normale verdeling met gemiddelde μ en standaardafwijking σ/√n. Het getal σ/√n heet de standaardfout van het gemiddelde. OpenStax benadrukt iets wat je makkelijk mist: n is het aantal waarden dat je samen middelt, niet het aantal keer dat je de proef herhaalt. Meer steekproeven maken het histogram voller; grotere steekproeven maken het smaller. In Minji's proef is n gelijk aan 5, niet aan 300.
Twee gevolgen zijn in de praktijk belangrijk. Ten eerste klopt het steekproefgemiddelde gemiddeld: de gemiddelden liggen rond μ, niet erboven of eronder. Ten tweede verbetert de nauwkeurigheid alleen met de wortel van n. Voor de dobbelsteen is de standaardfout 1.708/√1 = 1.708 bij losse worpen, 1.708/√25 ≈ 0.342 bij steekproeven van 25 en 1.708/√100 ≈ 0.171 bij steekproeven van 100. Vier keer de steekproefomvang halveert de standaardfout; honderd keer de omvang deelt die door tien. OpenStax geeft zelf dit voorbeeld: een populatie met gemiddelde 90 en standaardafwijking 15, met steekproeven van omvang 25. De standaardfout is 15/√25 = 3. Een steekproefgemiddelde twee standaardfouten boven de verwachte waarde is dus 90 + 2 × 3 = 96.
Ook bij een scheve populatie vormen gemiddelden bij n = 30 een heuvel
De populatie hoeft voor de stelling niet klokvormig te zijn. Kies in de simulatie de scheve populatie, waarin kleine waarden veel voorkomen en grote zeldzaam zijn (gemiddelde 3.06). Bij n = 1 heeft het histogram een lange rechterstaart. Bij n = 30 vormen de steekproefgemiddelden een bijna symmetrische heuvel rond 3.06. Daarom kun je bij peilingen een foutmarge geven zonder de verdeling van de meningen te kennen. Bij een ja-neevraag bestaat de populatie uit 0'en en 1'en, met σ hoogstens 0.5. Bij 1000 mensen is de 95%-marge dus ongeveer 2 × 0.5/√1000 ≈ 0.032: het bekende ‘plus of min 3 procentpunten’.
| Steekproevenverdeling van het gemiddelde | De verdeling van steekproefgemiddelden uit veel steekproeven van omvang n |
| Standaardfout | σ/√n, de standaardafwijking van het steekproefgemiddelde |
| Centrale limietstelling | Bij grote n zijn steekproefgemiddelden ongeveer normaal verdeeld, met gemiddelde μ en standaardafwijking σ/√n |
| Wat n betekent | Het aantal waarden in elke steekproef, niet het aantal steekproeven |
- Populatiestandaardafwijking 15, steekproeven van 25. Wat is de standaardfout?
- Hetzelfde voorbeeld, gemiddelde 90. Welke waarde ligt twee standaardfouten boven het gemiddelde?
- Een eerlijke dobbelsteen heeft σ ≈ 1.708. Wat is de standaardfout voor gemiddelden van 25 worpen, op 3 decimalen?
- Wat is het gemiddelde van de steekproevenverdeling bij gemiddelden van dobbelsteenworpen?
- Met welke factor verandert de standaardfout als je n met 4 vermenigvuldigt?
- Wat betekent n in de centrale limietstelling?
- Het aantal getrokken steekproeven
- Het aantal waarden dat je in elke steekproef middelt
- De populatieomvang
- Het aantal klassen in het histogram
- Steekproeven van omvang 30 uit de scheve populatie. Welke vorm hebben de steekproefgemiddelden?
- Dezelfde lange rechterstaart
- Ongeveer normaal verdeeld rond 3.06
- Vlak
- Twee afzonderlijke toppen
- Ja-neepeiling onder 1000 mensen, σ = 0.5. Wat is de benaderde 95%-marge, 2 × σ/√n, op 3 decimalen?
- Dobbelsteenworpen: wat is de kleinste n waarvoor de standaardfout 0.5 of minder is? (σ ≈ 1.708)
- Een websitepeiling krijgt 50 000 antwoorden. Waarom kan die toch ernstig fout zitten?
- 50 000 is te weinig
- De steekproef is niet willekeurig en kan dus vertekend zijn
- De standaardfout groeit met n
- Voor de centrale limietstelling moet n onder 30 liggen
- ‘Minji trok 300 steekproeven, dus n = 300 en de standaardfout van haar gemiddelden is 1.708/√300.’ n is het aantal worpen per steekproef, dus 5. De standaardfout van haar gemiddelden is 1.708/√5, ongeveer 0.764, niet ongeveer 0.099. Meer steekproeven maken het histogram voller, niet smaller.
- ‘Verdubbel de steekproefomvang en de standaardfout halveert.’ De fout is evenredig met 1/√n. Verdubbel je n, dan deel je door √2. De fout daalt dus slechts tot ongeveer 0.707 van de oorspronkelijke waarde.
- ‘Volgens de centrale limietstelling worden losse dobbelsteenworpen normaal verdeeld als je maar vaak genoeg gooit.’ De stelling gaat over gemiddelden van n waarden, niet over losse waarden. Losse worpen blijven vlak verdeeld, hoe vaak je ook gooit: elk aantal ogen komt nog steeds ongeveer 1/6 van de keren voor. Alleen de gemiddelden vormen samen een klok.
- Steekproefgemiddelden variëren; hun spreiding is de standaardfout σ/√n.
- Centrale limietstelling: bij grote n zijn steekproefgemiddelden ongeveer normaal verdeeld rond μ, voor elke populatie.
- n = waarden per steekproef. 4 × n halveert de fout; 100 × n deelt die door 10.
- Willekeurig trekken is belangrijker dan de omvang.
Bronnen van deze cursus (9)
- Curriculum: 교육부 고시 제2022-33호 [별책 8] 수학과 교육과정 (ncic.re.kr/inv/org/download.do?year=2022&seq=10003559&orgType=ogi4, PDF read 2026-10-19: 초등학교 5~6학년군 [6수04-04]~[6수04-06] 가능성을 말과 0, 1/2, 1 같은 수로 나타내기; 중학교 1~3학년군 [9수04-03] 상대도수, [9수04-05] 경우의 수(두 경우의 수를 더하거나 곱하는 정도), [9수04-06] 확률(상대도수로서의 의미와 경우의 수의 비율로서의 의미, 각 경우의 가능성이 같다는 가정), 용어 상대도수·사건·확률; 공통수학1 [10공수1-03-01]~[10공수1-03-03] 합의 법칙·곱의 법칙·순열·조합, 기호 nCr; 확률과 통계 [12확통01-03] 이항정리, 용어 이항계수·파스칼의 삼각형; [12확통02-01]~[12확통02-06] 확률의 기본 성질·덧셈정리·여사건의 확률·조건부확률·독립과 종속·곱셈정리, 용어 시행·통계적 확률·수학적 확률·여사건·배반사건·조건부확률·종속·독립·독립시행과 기호 P(A), P(B|A); [12확통03-03] 이항분포, [12확통03-04] 정규분포와 이항분포의 관계, [12확통03-05]·[12확통03-06] 임의추출·표본평균과 모평균, 용어 큰 수의 법칙·이항분포·정규분포·모평균·표본평균과 기호 B(n, p), N(m, σ²), X̄)
- Textbook: OpenStax, Introductory Statistics 2e by Barbara Illowsky and Susan Dean, 3.1 terminology, equally likely outcomes, dime and nickel, law of large numbers, Belgian one euro coin 56% heads in 250 trials, conditional probability, Table 3.1 handedness of 100 people (openstax.org/books/introductory-statistics-2e/pages/3-1-terminology)
- 4.3 binomial distribution
- 7.1 central limit theorem for sample means, example mean 90, SD 15, n = 25, standard error 3 (.../pages/7-1-the-central-limit-theorem-for-sample-means-averages)
- Yut rules for the Korean example only: 국립민속박물관 한국민속대백과사전 「윷놀이」, 도·개·걸·윷·모 by how many of the four sticks land 뒤집어진 (folkency.nfm.go.kr/kr/topic/detail/1595, read 2026-10-19)
- Kerrich story: John Kerrich, 10,000 tosses, 5,067 heads (JMP case study JMP014 by DeWayne Derryberry, jmp.com/en/academic/case-study-library/is-a-coin-fair, citing Baldi and Moore; Wikipedia "John Edmund Kerrich")
- Galileo story: Sopra le scoperte dei dadi, sum 10 in 27 ways and 9 in 25 ways with three dice (English translation, University of York history of statistics, york.ac.uk/depts/maths/histstat/galileo.pdf)
- Pascal story: Pascal to Fermat, 29 July 1654, one six in four throws "as 671 to 625" (American Physical Society, aps.org/apsnews/2009/07/pascal-letters-fermat-points; Gaston Sanchez, De Mere's games; Statistical Science 2024 "Antoine Gombaud, Chevalier de Méré")
- Galton story: Francis Galton, Natural Inheritance of 1889, the quincunx (Wikipedia "Galton board")
Geraadpleegd: 2026-10-17