edubun
Nederlands

Syllogismen

‘Alle walvissen zijn zoogdieren. Alle zoogdieren ademen lucht. Dus alle walvissen ademen lucht.’ Middeleeuwse studenten noemden dit patroon Barbara. De drie a's vormen een code voor de drie zinnen.

Vier soorten zinnen

Een syllogisme is een redenering met twee premissen en een conclusie, die elk twee groepen dingen met elkaar verbinden. In de traditionele logica gebruik je vier soorten categorische zinnen, aangeduid met letters. A: ‘Alle S zijn P’ (universeel bevestigend). E: ‘Geen S is P’ (universeel ontkennend). I: ‘Sommige S zijn P’ (particulier bevestigend). O: ‘Sommige S zijn niet P’ (particulier ontkennend). Sommige betekent hier minstens één, dus ‘Sommige leerlingen zijn geslaagd’ is ook waar als elke leerling geslaagd is.

De vier typen vormen paren van negaties. A en O spreken elkaar tegen: ‘Alle S zijn P’ is precies dan onwaar als minstens één S geen P is. Ook E en I spreken elkaar tegen. Dat sluit aan bij het eerste hoofdstuk van deze cursus: de negatie van ‘alle’ is ‘niet alle’. Dat is de O-zin, niet de E-zin.

Drie termen, waarvan één in het midden

Elk syllogisme gebruikt precies drie termen. In het walvisvoorbeeld zijn dat walvissen, zoogdieren en dingen die lucht ademen. De term die in beide premissen voorkomt maar niet in de conclusie, heet de middenterm. Hier is dat zoogdieren. Daarmee verbind je de andere twee. Het onderwerp van de conclusie (walvissen) is de onderterm. Het predicaat van de conclusie (dingen die lucht ademen) is de boventerm. De premisse met de boventerm heet de majorpremisse en die met de onderterm de minorpremisse.

Barbara als in elkaar liggende gebieden. S (walvissen) ligt binnen M (zoogdieren) en M binnen P (dingen die lucht ademen), dus S moet binnen P liggen.

Middeleeuwse docenten gaven elke geldige vorm een naam waarvan de klinkers de typen van de drie zinnen aangeven. Barbara is A, A, A: alle M zijn P, alle S zijn M, dus alle S zijn P. Celarent is E, A, E: ‘Geen reptiel is warmbloedig. Alle slangen zijn reptielen. Dus geen slang is warmbloedig’. Volgens de Stanford Encyclopedia of Philosophy worden deze namen nog veel gebruikt en ligt in elke naam ook besloten hoe Aristoteles de vorm bewees.

De ongedistribueerde middenterm

Een syllogisme kan goed lijken en toch niet kloppen. ‘Alle katten zijn zoogdieren. Alle honden zijn zoogdieren. Dus alle honden zijn katten.’ Beide premissen zijn waar en de conclusie is duidelijk onwaar. De vorm moet dus ongeldig zijn. De middenterm, zoogdieren, omvat in geen van beide premissen de hele groep. Je plaatst katten alleen ergens binnen de zoogdieren en honden ook, maar dat kan op verschillende plekken zijn. Dit heet de drogreden van de ongedistribueerde middenterm. In de Stanford Encyclopedia staat deze bij de formele drogredenen. Een snelle toets voor elk syllogisme is bekende groepen invullen, zoals katten en honden, en kijken of ware premissen een onware conclusie kunnen opleveren.

Ongedistribueerde middenterm: C (katten) en D (honden) liggen beide binnen M (zoogdieren), maar D hoeft niet binnen C te liggen.
AchtergrondAristoteles werkte de theorie van het syllogisme uit in de Analytica priora in de vierde eeuw v.Chr. Hij deelde redeneringen in naar de plaats van de middenterm. Die indelingen noemde hij figuren; hij beschreef er drie. Vervolgens onderzocht hij volgens de Stanford Encyclopedia systematisch alle mogelijke combinaties van twee premissen in elk van de drie figuren. Hij liet zien welke altijd een conclusie opleveren en gaf een tegenvoorbeeldvorm voor de andere. Zijn logica kwam terecht in de Arabische en Latijnse middeleeuwse tradities. Daar ontstonden namen als Barbara en Celarent.
A-zinAlle S zijn P
E-zinGeen S is P
I-zinSommige S zijn P
O-zinSommige S zijn niet P
middentermIn beide premissen, niet in de conclusie
BarbaraA, A, A: alle M zijn P; alle S zijn M; dus alle S zijn P
CelarentE, A, E: geen M is P; alle S zijn M; dus geen S is P
  1. Van welk type is ‘Sommige auto's zijn elektrisch’?
    • A
    • E
    • I
    • O
  2. Van welk type is ‘Geen metaal is doorzichtig’?
    • A
    • E
    • I
    • O
  3. Wat spreekt ‘Alle honden zijn vriendelijk’ tegen?
    • Geen enkele hond is vriendelijk.
    • Sommige honden zijn niet vriendelijk.
    • Sommige honden zijn vriendelijk.
  4. ‘Alle rozen zijn planten. Alle planten hebben licht nodig. Dus alle rozen hebben licht nodig.’ De middenterm is
    • rozen
    • planten
    • dingen die licht nodig hebben
  5. In hetzelfde syllogisme is de onderterm:
    • rozen
    • planten
    • dingen die licht nodig hebben
  6. Welk patroon heeft de klinkers E, A, E?
    • Barbara
    • Celarent
  7. ‘Alle vissen leven in water. Alle walvissen leven in water. Dus alle walvissen zijn vissen.’ Wat gaat er mis?
    • Een premisse is onwaar
    • Ongedistribueerde middenterm
    • Niets, het is geldig
  8. ‘Sommige leerlingen zijn geslaagd’ is onwaar als elke leerling geslaagd is.
    • Waar
    • Onwaar
  9. Zet het syllogisme Barbara in de traditionele volgorde.
  10. Hoeveel verschillende termen gebruikt een standaard syllogisme?
Belangrijkste punten
  • A: alle S zijn P. E: geen S is P. I: sommige S zijn P. O: sommige S zijn niet P.
  • A spreekt O tegen; E spreekt I tegen.
  • De middenterm verbindt de premissen en komt niet terug in de conclusie.
  • Barbara (AAA) en Celarent (EAE) zijn geldig; een ongedistribueerde middenterm niet.
Bronnen van deze cursus (9)
  • P. D. Magnus, Tim Button, Aaron Thomas-Bolduc, Richard Zach, forall x: Calgary , chapters 1 to 6 on sentences, arguments, validity, soundness, connectives and truth tables (forallx.openlogicproject.org/html/)
  • Stanford Encyclopedia of Philosophy, Robin Smith, "Aristotle's Logic" (plato.stanford.edu/entries/aristotle-logic/)
  • definition of deduction from Prior Analytics I.2 24b18-20, the three figures and the medieval names Barbara and Celarent
  • Aristotle, On Interpretation 17a, E. M. Edghill translation (classics.mit.edu/Aristotle/interpretation.1.1.html)
  • "a prayer is a sentence, but is neither true nor false"
  • Irving H. Anellis, "Peirce's Truth-functional Analysis and the Origin of Truth Tables" (arxiv.org/abs/1108.2429): Peirce manuscript of 1893, Shosky's 1997 find on a 1912 Russell typescript
  • Emil Post, "Introduction to a general theory of elementary propositions", American Journal of Mathematics 43 (1921)
  • Wittgenstein, Tractatus Logico-Philosophicus (1921, English 1922)
  • 4.31. Everyday example sentences are made up for teaching.

Geraadpleegd: 2026-10-17