edubun
Nederlands

Topvorm

f(x) = 2x² + 4x − 4 en f(x) = 2(x + 1)² − 6 zijn dezelfde functie; alleen de tweede toont direct top (−1, −6).

Waar ligt het laagste punt van 2x² + 4x − 4?

Probeer dit voordat je verder leest. Waar ligt het laagste punt van f(x) = 2x² + 4x − 4? Met een tabel kom je er, maar langzaam. f(0) = −4, f(−1) = −6 en f(−2) = −4. De twee waarden −4 liggen even ver van x = −1. De onderkant ligt dus bij x = −1 en het minimum is −6. Dat kostte drie berekeningen en een gelukkige gok. Als je dezelfde functie als 2(x + 1)² − 6 schrijft, zie je (−1, −6) zonder tabel.

Waarom a(x − h)² + k top (h, k) heeft

Een kwadratische functie kun je ook schrijven als f(x) = a(x − h)² + k. OpenStax noemt dit de standaardvorm. Omdat je de top direct ziet, heet het ook de topvorm. De top is het punt (h, k). De reden is kort: (x − h)² is een kwadraat, dus nooit negatief, en precies 0 bij x = h. Bij a > 0 is de kleinste waarde van a(x − h)² dus 0. De kleinste waarde van f is daarom k, bereikt bij x = h. Bij a < 0 geeft dezelfde redenering de grootste waarde.

Let op het teken binnen haakjes. f(x) = (x − 3)² + 2 heeft top (3, 2), met positieve 3. Bij het OpenStax-voorbeeld f(x) = −3(x + 2)² + 4 is x + 2 hetzelfde als x − (−2): h = −2 en top (−2, 4). Omdat a = −3 negatief is, opent de parabool omlaag, is 4 maximaal en omvat het bereik alle y ≤ 4. De verticale symmetrieas is x = h, hier x = −2.

f(x) = −3(x + 2)² + 4: top (−2, 4), as x = −2, omlaag omdat a = −3.

Eerst h = −b/(2a), dan k = f(h)

Bij een functie in de vorm ax² + bx + c kun je de top snel vinden. De symmetrieas is x = −b/(2a), dus dat is h. Daarna is k gewoon de uitvoer bij h: k = f(h). Terug naar de beginvraag met f(x) = 2x² + 4x − 4. Hier is h = −4/(2 × 2) = −1 en k = f(−1) = 2(1) − 4 − 4 = −6. Houd dezelfde a en schrijf f(x) = 2(x + 1)² − 6. Uitwerken bevestigt het: 2(x² + 2x + 1) − 6 = 2x² + 4x + 2 − 6 = 2x² + 4x − 4.

Waarom −b/(2a)? Werk a(x − h)² + k uit en je krijgt ax² − 2ahx + (ah² + k). Vergelijk dit term voor term met ax² + bx + c. Dan is b = −2ah en oplossen naar h geeft h = −b/(2a). Dezelfde vergelijking laat zien dat c = ah² + k. Beide vormen bevatten dus dezelfde informatie. De ene is handig om de top af te lezen, de andere om het snijpunt c met de y-as te vinden.

Een andere route is kwadraatafsplitsen. Neem x² − 6x + 7. De helft van −6 is −3 en (−3)² = 9. Tel 9 op en trek af: x² − 6x + 9 − 9 + 7 = (x − 3)² − 2. Top (3, −2). Beide methoden moeten kloppen: −b/(2a) = 6/2 = 3 en f(3) = 9 − 18 + 7 = −2.

y = x² verschuiven tot top (h, k)

De topvorm vertelt ook hoe je de grafiek uit y = x² tekent. Neem de basisgrafiek, rek haar uit met a en spiegel haar als a negatief is. Verplaats haar h eenheden zijwaarts en k eenheden omhoog of omlaag. De top (0, 0) van y = x² komt op (h, k) terecht. Versleep in het practicum de rode top. Het paneel herschrijft de topvorm en algemene vorm tegelijk. Zo zie je b en c veranderen terwijl de vorm gelijk blijft.

Laden

Sleep om te draaien. Scroll of knijp om te zoomen.

f(x) = 2(x + 1)² − 6, algemeen 2x² + 4x − 4. Versleep de top of verander a, h en k: beide vormen veranderen samen.
  1. Wat is de top van y = (x − 3)² + 2?
    • (3, 2)
    • (−3, 2)
    • (2, 3)
    • (3, −2)
  2. Wat is de top van y = −3(x + 2)² + 4?
    • (−2, 4)
    • (2, 4)
    • (−3, 4)
    • (4, −2)
  3. Wat is de symmetrieas van y = 2(x − 5)² − 1? Geef het getal in x = ?
  4. Bij y = x² − 6x + 7, wat is h = −b/(2a)?
  5. Bij y = x² − 6x + 7, wat is topcoördinaat k?
  6. Heeft y = −(x − 1)² + 5 een minimum of maximum, en hoeveel?
    • Maximum 5
    • Minimum 5
    • Maximum 1
    • Minimum −5
  7. Wat is het bereik van y = 2(x + 1)² − 6?
    • y ≥ −6
    • y ≤ −6
    • y ≥ −1
    • alle reële getallen
  8. Welke algemene vorm is gelijk aan (x − 3)² − 2?
    • x² − 6x + 7
    • x² − 6x − 11
    • x² + 6x + 7
    • x² − 3x − 2
  9. Bij y = −2x² + 8x + 1, wat is h?
  10. Bij y = −2x² + 8x + 1, wat is maximum k?
Veelgemaakte fouten
  • De top van y = (x + 4)² − 1 lezen als (4, −1). x + 4 is x − (−4), dus h = −4 en top (−4, −1). Binnen haakjes staat het tegengestelde teken van h; k erbuiten houdt zijn teken.
  • Bij y = x² + 10x + 1 schrijven: h = 10/2 = 5. h = −b/(2a), met het minteken erbij. Hier b = 10: h = −10/2 = −5. Controle: f(−4) en f(−6) zijn beide −23, gelijk aan weerszijden van −5.
  • Delen door a in plaats van 2a: h = 12/3 = 4 bij y = 3x² − 12x + 1. 2a is 6, dus h = 12/6 = 2. Bij as x = 4 zouden f(3) en f(5) gelijk zijn, maar f(3) = 27 − 36 + 1 = −8 en f(5) = 75 − 60 + 1 = 16.
  • (x + 3)² − 5 controleren met (x + 3)² = x² + 9. (x + 3)² = (x + 3)(x + 3) = x² + 6x + 9. Middenterm 6x is tweemaal 3 maal x en verschuift de top horizontaal. Dus (x + 3)² − 5 = x² + 6x + 4, niet x² + 4.
Voor de docentBehandel de topvorm vóór de snelregel −b/(2a). Wie a(x − h)² + k uitwerkte en b = −2ah vond, begrijpt het minteken. Wie eerst de formule krijgt, leert die vaak uit het hoofd en vergeet het teken. Versleep de top en vraag wat met b en c gebeurt terwijl de vorm vast blijft.
Belangrijkste punten
  • Topvorm: f(x) = a(x − h)² + k, top (h, k), as x = h.
  • Binnen haakjes keert het teken om: (x + 2) betekent h = −2.
  • Vanuit ax² + bx + c: h = −b/(2a), dan k = f(h).
  • Kwadraatafsplitsen geeft hetzelfde resultaat.
Bronnen van deze cursus (6)
  • Curriculum: 교육부 고시 제2022-33호 [별책 8] 수학과 교육과정 (ncic.re.kr/inv/org/download.do?year=2022&seq=10003559&orgType=ogi4, PDF read 2026-10-19: 중학교 1~3학년군 [9수02-19] 다항식의 곱셈과 인수분해(해설의 곱셈 공식 m(a + b), (a + b)², (a − b)², (a + b)(a − b), (x + a)(x + b), (ax + b)(cx + d)), [9수02-20] 이차방정식, [9수02-21] 이차함수의 개념, [9수02-22] 이차함수의 그래프(최댓값·최솟값은 x의 범위가 실수 전체인 경우만), 용어 인수·인수분해·완전제곱식·이차방정식·중근·근의 공식·이차함수·포물선·축·꼭짓점·최댓값·최솟값·평행이동, 「이차방정식은 해가 실수인 경우만」, 「근과 계수와의 관계는 다루지 않는다」, 「구한 해가 문제 상황에 적합한지 확인」; 고등학교 공통수학1 [10공수1-02-02] 실근과 허근·판별식, [10공수1-02-03] 근과 계수의 관계, [10공수1-02-06] 이차함수의 최대·최소와 실생활(제한된 범위, 공학 도구))
  • Textbook: OpenStax, College Algebra 2e , 5.1 Quadratic Functions (parabola, vertex, axis of symmetry x = −b/(2a), general form ax² + bx + c, standard form a(x − h)² + k also called vertex form, f(x) = 2x² + 4x − 4 = 2(x + 1)² − 6, f(x) = −3(x + 2)² + 4, vertex of 2x² − 6x + 7 by −b/(2a) (the completing-the-square example x² − 6x + 7 in the course is our own), satellite dish cross-sections, 80 ft fence: maximum area 800 sq ft at L = 20, newspaper revenue maximum at $31.80 and $2,528,100, ball H(t) = −16t² + 80t + 40: top at 2.5 s, 140 ft, ground after about 5.458 s, rock H(t) = −16t² + 96t + 112: openstax.org/books/college-algebra-2e/pages/5-1-quadratic-functions)
  • Textbook: OpenStax, Algebra and Trigonometry 2e, 2.5 Quadratic Equations (zero-product property, (x − 2)(x + 3) = x² + x − 6, square root property, completing the square, quadratic formula, discriminant table: openstax.org/books/algebra-and-trigonometry-2e/pages/2-5-quadratic-equations)
  • Reference value: NIST CODATA standard acceleration of gravity 9.80665 m/s², about 32.174 ft/s² (physics.nist.gov/cgi-bin/cuu/Value?gn)
  • Reference value: NIST, "Putting the Best Foot Forward" (1 foot = 0.3048 m exactly since 1959; nist.gov/pml/us-surveyfoot, checked 2026-10-19)
  • History block only: MacTutor, University of St Andrews, Quadratic, cubic and quartic equations (Babylonians about 1800 BC, algorithmic completing the square with positive answers; Euclid about 300 BC geometric; Brahmagupta (598-665) admits negative quantities; al-Khwarizmi (c 800) six types, x² + 10x = 39; Abraham bar Hiyya, Liber embadorum 1145: mathshistory.st-andrews.ac.uk/HistTopics/Quadratic_etc_equations).

Geraadpleegd: 2026-10-18